DB-dds      
   
 
   
 
Begrip Omschrijving
(bebouwings)veldhoofdelement in een totaalcompositie van de woonwijken. Een veld (dikwijls een buurt), is opgebouwd uit meerdere verkavelingseenheden en wordt gestructureerd door een infrastructuur van wegen en openbaar groen. 
(gevel)geledingonderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel. 
19de-eeuwse Ringruimtelijk systeem dat bestaat uit de brede strook bebouwing buiten de grachtengordel, die tussen 1865 en 1920 tot stand is gekomen. Merendeels gesloten bouwblokken met gestapelde woningen (drie tot vijf bouwlagen)of andere functies, soms vrijstaande villa's en ensembles van herenhuizen.  
aanbouwbouwwerk dat in directe verbinding staat met het (hoofd)gebouw waaraan het wordt gebouwd. Een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een gebouw, terwijl een uitbouw een vergroting van de bestaande ruimte is. Deze bouwwerken breiden het bestaande (hoofd)- gebouw uit ter vergroting van het woongenot. Hiermee wordt bedoeld dat het gebruik direct gerelateerd dient te zijn aan de woonfunctie. 
aangekaptmet kap bevestigd aan dakvlak. 
Aanvullende (woning)bouwlocatiruimtelijk systeem dat bestaat uit recent aan de stad toegevoegde, of ingrijpend geherstructureerde ruimtelijke eenheden, binnen of aan de rand van bestaande ruimtelijke systemen. Daarbij gaat het, behalve om gebieden die exclusief een woonfunctie hebben, ook om gebieden waar gestreefd wordt naar een combinatie van wonen en bedrijvigheid. 
aanzetsteende eerste steen aan weerzijden in een gemetselde boog, op constructieve punten geplaatst. 
aanzichtbreedtebreedte van het kozijn zoals dat aan de buitenzijde zichtbaar is. 
aardtintennatuurlijke tinten, meestal rood/bruine tinten. 
achtererfgedeelte van het erf tussen de achtergevellijn en de aan de achterzijde van het gebouw gelegen erfgrens. 
achtergevelgevel aan de achterzijde van een gebouw. 
achtergevellijndenkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 
achterkantachtergevel, achtererf en dakvlak aan de achterzijde van een gebouw, en zijgevel, zijerf en dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. 
afbouwconstructieniet dragend deel van een bouwconstructie (zie ook drager en invulling). 
afdakhellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen. 
afgeschuindhet aangebracht zijn van een schuine kant aan een houten of stenen bouwdeel; het afgesneden zijn van een rechte hoek van een gebouw. 
afwateringsslootgegraven water, primair dienend voor het afvoeren van overtollig oppervlaktewater. 
airey-systeemsysteem waarbij in de periode van de Wederopbouw betonplaten gemonteerd werden aan een beton- of staalconstructie; deze blokvormige platen bleven in het zicht. 
algemene welstandscriteriasamenhangende reeks welstandscriteria, geldig voor alle bestaande dan wel nieuwe bouwwerken, gebruikt als onderlegger voor alle gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria; in bijzondere gevallen ook zelfstandig te gebruiken.  
AMvBAlgemene Maatregel van Bestuur 
antenne-installatieinstallatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 
antennedragerantennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 
architectuureenheid (ensemble)een of meer bouwblokken die als eenheid ontworpen zijn en als zodanig herkenbaar.  
architectuurordesordes, waarbij getrapt uitgangspunten voor bouwactiviteiten worden gegeven. De architectonische kwaliteit van de bebouwing wordt in opklimmende waardering aangegeven met Basisorde, Orde 3, Orde 2 en Orde 1. 
armoedig materiaalmateriaal met armoedige uitstraling als rietmatten, beddenspiralen, oude deuren, golfplaten, zeildoek (bij erfafscheidingen, bijgebouwen en overkappingen) kunststof schroten en industriële beplating (bij gevelbetimmeringen). 
asymmetrische kapzadeldak met twee ongelijke dakvlakken. 
attiekstaand vlak, soms versierd met pilasters of balusters, op de kroonlijst van een gebouw geplaatst om het dak aan het oog te onttrekken. 
AUPAlgemeen Uitbreidingsplan: stedenbouwkundig plan (van Van Eesteren c.s.) voor de uitbreiding van Amsterdam, dat in 1934 tot stand kwam, in 1935 aangenomen werd door de gemeenteraad en in 1939 bij Koninklijk Besluit van kracht werd. 
AUP (ruimtelijk systeem)ruimtelijk systeem gevormd door de gebieden die tot stand zijn gekomen op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam. Het plan als geheel was in 1935 gereed, maar is grotendeels pas na de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. Tot begin jaren zeventig van de vorige eeuw is op basis van het AUP een lange reeks uitbreidingsplannen of deelplannen gerealiseerd. In de AUP-gebieden bestaat de stedenbouwkundige structuur uit een gelaagde compositie van verkeerswegen, groen- en waterstructuur en de bebouwing(svelden) daartussen. 
authentiekovereenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, oorspronkelijk. 
baksteen-montagebouw (BMB)systeem waarbij in de periode van de Wederopbouw het casco werd opgebouwd uit geprefabriceerde betonelementen voor de dragende wanden en geprefabriceerde vloerplaten. De gevel bestond uit geprefabriceerde gevelelementen, samengesteld uit een betonnen binnenspouwblad en een buitenspouwblad van baksteen. 
balkonniet-gelijkvloers, voor een gevel aangebracht open platform dat vanuit de aangrenzende binnenruimte via een deur toegankelijk is en afgesloten is door een borstwering. 
bandhorizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal (meestal natuursteen, kunststeen of baksteen) of kleur. 
barokstijl die zich kenmerkt door overdadige vormen en een plastische behandeling van de bouwdelen. 
basementonderste deel van een gevel; basis, voetstuk of onderste deel van een zuil of pilaster. 
basisorde (BO)kenmerkende bouwwerken met basiskwaliteit, of bouwwerken die door ingrijpende wijzigingen hun architectonische meerwaarde hebben verloren. 
bebouwingéén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.  
bebouwingstypologieindeling in een aantal soorten gebouwen met gemeenschappelijke eigenschappen. 
bebouwingsveldhoofdelement in een totaalcompositie van de woonwijken. Een veld (dikwijls een buurt), is opgebouwd uit meerdere verkavelingseenheden en wordt gestructureerd door een infrastructuur van wegen en openbaar groen. 
bedrijfsbebouwinggebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.  
beeldhouwwerkgebeeldhouwde versiering aan een groter geheel. 
beeldkwaliteitde visuele kenmerken en de bijbehorende ordeningsprincipes binnen een plangebied. 
beeldkwaliteitplansamenhangend pakket van intenties, aanbevelingen en/of richtlijnen voor het veilig stellen, creëren en/of verbeteren van de beeldkwaliteit van een bepaald gebied. 
behoudenhandhaven, bewaren, in stand houden. 
bel-etagehoofdverdieping van een pand, gelegen boven de begane grond, vaak echter boven een souterrain. De bel-etage is gewoonlijk hoger dan de onder- en bovengelegen verdiepingen. 
belendendnaastgelegen, (direct) grenzend aan.  
beoordelingskaderspecifiek pakket welstandscriteria voor een bouwvergunningplichtige ingreep; geeft aan op welke aspecten en binnen welke bandbreedte de ingreep wordt beoordeeld.  
beplatingvlak plaatmateriaal van kunststof, metaal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding, of bekleding van gebouwelementen zoals dakrand, deur, dakkapel; hout of kunststof in de vorm van smalle (samengestelde) delen (bijvoorbeeld rabatdelen) valt niet onder beplating. 
bergingruimte voor opslag bij woning o.i.d. 
beschermd stads- of dorpsgezicgebied dat van algemeen belang is om zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden; gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet; de bescherming werkt door in het bestemmingsplan.  
beschothouten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.  
bestemmingsplandoor de gemeenteraad vastgesteld plan voor het gehele grondgebied van de gemeente, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. (artikel 3.1 Wro) 
bestratingverharding zoals straatstenen of tegels. 
betonskeletgeraamte van kolommen, balken en vloeren van beton dat de overige constructiedelen van het gebouw draagt. 
bijgebouwzelfstandig bouwwerk dat niet in directe verbinding staat met de woning, maar via een aparte toegangsdeur wordt bereikt; het kan in sommige gevallen wel tegen de woning aangebouwd worden. Meestal gebruikt als schuur, tuinhuis of garage. 
Binnenstadruimtelijk systeem dat het gebied binnen de Singelgracht beslaat, ofwel het centrum van Amsterdam. Het systeem bestaat uit de middeleeuwse kern, ontstaan langs de Amstelmonding in het IJ, de daaromheen aangelegde stadsuitbreidingen vanaf de 14de eeuw tot en met eind 17de eeuw en tenslotte de in de 19de eeuw bebouwde Singelgrachtzone. Over het algemeen vinden we gesloten bouwblokken, waarin de historische (smalle en diepe) parcellering nog aanwezig is. 
binnenstraat-ontsluitingeen systeem waarbij de entrees van de woningen aan overdekte straten liggen. 
bitumenwaterdicht en plastisch product met een groot hechtend vermogen, gebruikt om daken waterdicht te maken. 
blinde wand, muur of gevelgevel of muur zonder raam, deur of andere opening. 
blokbepleisteringpleisterwerk met getrokken voegen (schijnvoegen) in een bepaald verband. 
blokverkavelingverdeling van een gebied in blokvormige percelen. 
boeiboordopstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. 
boerderijgebouw of complex op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis. 
borstweringdichte, lage muur tot borsthoogte, later ook meer open, bij wijze van leuning of balustrade 
bouw- en woningtoezichtgemeentelijke technische dienst, die toezicht houdt op de gemeentelijke verordeningen, de kwaliteit van bestaande woningen, naleving van afgegeven bouwvergunningen, enz. 
bouwbesluitverzameling bouwtechnische voorschriften waaraan alle bouwwerken in Nederland, zoals woningen, kantoren, winkels, ziekenhuizen etc. minimaal moeten voldoen. Verbouwingen vallen ook onder het Bouwbesluit. 
bouwblokeen geheel van geschakelde bebouwing. 
bouwdeelonderdeel van een gebouw. 
bouwenhet plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.  
bouwenvelopdocument dat alle beleidsregels bevat waaraan een bouwproject moet voldoen en op basis waarvan overeenkomsten met de ontwikkelende partijen worden gesloten.  
bouwhoogtehoogte van een gebouw. 
bouwkeramiekgeglazuurde tegels of tegeltableaus. 
bouwkundige eenheideen pand of serie panden die in een bouwstroom zijn gerealiseerd (op een en dezelfde fundering). 
bouwlaagverdieping in een gebouw. 
bouwmuurmuur met constructieve functie; dragende muur. 
bouwperceelaaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 
bouwstrookstrook grond met bepaalde diepte, gelegen tussen de rooilijnen. 
bouwvergunningvergunning van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het stadsdeel om ‘te mogen bouwen’ (artikel 40 Woningwet) 
bouwvergunningplichtigalle bouwactiviteiten waarvoor een bouwvergunning nodig is; meer informatie op http://vrom.nl/bouwvergunningen_online 
bouwvergunningvrijalle bouwactiviteiten waarvoor geen bouwvergunning nodig is; meer informatie op http://vrom.nl/bouwvergunningen_online 
bouwverordeninggemeentelijke verordening die voorschriften bevat voor het bouwen, verbouwen en slopen van gebouwen en andere bouwwerken, voor de technische staat van bestaande gebouwen en bouwwerken en het gebruik daarvan, voor de administrative afhandeling van bouwaanvragen. 
bouwvlakeen op de plankaart door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop (primair) hoofdgebouwen zijn toegelaten. 
bouwvolumemaat die aangeeft hoeveel kubieke meter (m3) bouwmassa per vierkante meter (m2) oppervlakte aanwezig of toegestaan is. 
bouwwerkelke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 
bovenbouwbovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament. 
bovendorpelbovenste horizontale regel van een deur-, raamkozijn of raam. 
braaklandbouwgrond die men (tijdelijk) onbebouwd laat liggen. 
breekplaats waar na een dijkdoorbraak het water met grof geweld het land uitholde en een diepe put of kolkgat van soms wel tien meter diep achterliet. Vaak werd er een nieuwe dijk omheen gelegd waarna de waterplas is blijven liggen. 
bufferzoneovergangszone tussen gebouw en openbare weg. 
buitengebiedbuiten de kernen gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd. 
buitenplaatsbuitenverblijf met herenhuis (kasteel of landhuis) met bijgebouwen en omringende privé-tuin of park, meestal met specifiek ontworpen aanleg; voornamelijk in de 17de en 18de eeuw gesticht.  
buitenruimteeen buitenruimte is een niet-besloten ruimte voor het in de buitenlucht verrichten van voor het wonen kenmerkende activiteiten. 
bungalowmeestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd. 
Bureau Monumenten en Archeologonderdeel van de gemeente Amsterdam dat informatie geeft over monumenten, beschermde gezichten, waarderingskaarten en monumentenvergunningen en eigenaren van monumenten ondersteunt; meer informatie op www.bmz.amsterdam.nl 
bureau Welstandszakenonderdeel van de gemeente Amsterdam met ambtelijk secretariaat van de Commissie voor Welstand en Monumenten; meer informatie op www.welstand.amsterdam.nl  
burenerfgrensde scheiding van het erf met het naastgelegen erf. 
buurerfnaastgelegen erf. 
buurtschapverzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom. 
carportafdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. 
carrégebouw met een vierhoekige plattegrond. 
centrale stadAmsterdams bestuursorgaan, verantwoordelijk voor het grootstedelijk bestuur. 
cityvorminghet verschijnsel dat een binnenstad vrijwel uitsluitend als zakencentrum dient en de woonfunctie verliest. 
classicismebouwstijl die de Romeinse of Griekse bouwstijl tot voorbeeld neemt. 
classicistischhet classicisme aanhangend of daaruit voortspruitend. 
Commissie voor Welstand en Mononafhankelijke commissie die in Amsterdam de welstands- en de monumentenbeoordeling uitvoert; meer informatie op www.welstand.amsterdam.nl  
compositieordening van bouwdelen tot een bouwwerk. 
conformerenzich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op. 
consolekraagsteen of houten/stalen kraagstuk, dat dient om een balk, kroonlijst, boog e.d. te ondersteunen. 
contextomgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken. 
contrastereneen tegenstelling vormen. 
cordonlijstuitspringende lijst langs een gevel om verdiepingen te markeren of als verlenging van dorpels. Vaak tevens afwaterend. 
cultuurhistorische waardeaan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 
CWMCommissie voor Welstand en Monumenten 
dakafdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht. 
dakbedekkingmateriaal en constructie waarmee een dakvlak is afgedekt om te voorkomen dat er water binnen kan komen. 
dakbekroningde horizontale opbouw per pand bestaat in het algemeen uit een driedeling. Deze bestaat uit een plint met ingangspartij op de begane grond, een middenstuk met de woonverdiepingen, en een dakbekroning. 
dakcontourkapvorm, silhouet van de kap. 
dakgootlanggerekte bakvormige constructie, aangebracht onder de dakrand om het van het dak stromende hemelwater af te voeren. 
dakhellingschuinte van een dakvlak. 
dakkapelondergeschikte uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. 
daklijnbovenlijn van een dak 
daklijstdakrand, lijst als beëindiging en overgang tussen dak en gevel, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. 
dakloggia‘omgekeerde’ dakkapel, geen uitbouw maar een uitsparing in de kap.  
dakopbouwtoevoeging aan de bouwmassa van het schuine dak (geen dakkapel zijnde) of toevoeging aan een plat dak. Een dakopbouw tast het silhouet van het oorspronkelijke dak aan en heeft een grote invloed op het straatbeeld 
dakraamraam, plat in het dakvlak. 
dakranddaklijst, omtimmerde dakgoot, lijst als beëindiging en overgang tussen dak en gevel, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. 
daktrimafwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering. 
dakvlakvlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.  
dakvlakhellend vlak in een dak. 
dakvoetlaagste punt van een schuin dak; het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn. 
damwandprofielmetalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering. 
deelplank, langwerpig, betrekkelijk smal strookmateriaal meestal van hout, voor gevelbekleding, daklijsten enz. 
detailontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en kozijn. 
detailleringuitwerking, weergave van de verschillende onderdelen of aansluitingen. 
dijkkruinhoogtehoogte van het bovenvlak van de dijk. 
diversiteitverscheidenheid, afwisseling, variatie. 
doorschakelingvloeiende overgang. 
dorpslintdorp in het buitengebied gekenmerkt door lintbebouwing. 
dove achterkantgeluidsgeïsoleerde achterkant van een gebouw (in principe zonder te openen delen). 
draagconstructiedragende delen van een bouwconstructie (zie ook drager en invulling). 
drager en invullingde drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).  
dreefbrede weg met bomen. 
droogloopoverdekte gang tussen twee gebouwen. 
droogmakerijdrooggemaakt stuk land, voormalige waterplas. 
duplexwoningkleine eengezinswoning, gebouwd in tijden van woningnood, bedoeld om later, samen met een soortgelijke woning één grote woning te vormen. 
dwarskapkap, dwars gelegen op de kap van het hoofdgebouw of haaks op de voorgevel. 
dynamiekveranderingen die plaatsvinden op het gebied van bouwen; dit kan zowel nieuwbouw als renovatie betreffen. 
Eclecticismeverzamelnaam voor de in vele varianten voorkomende bouwstijl (circa 1850-1910) met vrije toepassing van diverse historische stijlmotieven.  
eclectischterm, toegepast op 19de- en 20ste-eeuwse bouwkunst, waarbij elementen van twee of meer historische stijlen gecombineerd worden. 
eengezinswoningwoonhuis dat voor bewoning door één gezin bestemd is. 
eerste verdiepingtweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.  
eigenbouweraannemer die zelf opdrachtgever is. 
ensemblearchitectonische en stedenbouwkundige compositie van meerdere panden. 
erfal dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct hoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat blijkens de kadastrale gegevens behoort tot het perceel waarop dat gebouw is geplaatst. (Artikel 1 Woningwet) 
erf(af)scheidingbouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare ruimte. 
erfgrensgrens tussen erven. 
erkerronde, vierkante, of veelhoekige uitkragende uitbouw aan een gevel, die vaak uitsteekt of uitkraagt langs een of meer bouwlagen; kan gezien worden als een uitgebouwd venster. 
excessenregelinggemeentelijke regeling gericht ophet tegengaan van evidente buitensporigheden (excessen) in het uiterlijk van het bouwwerk.  
figuratiefmet een herkenbare voorstelling. 
flat(gebouw)groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen; de appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.  
footprintomtrek van een gebouw op maaiveldniveau. 
galerijgang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. 
galerijflatflatgebouw waarbij langs de afzonderlijke woningen op de verdiepingen een galerij loopt als toegang voor de bewoners. 
galerijstraatinpandige gang in een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. 
gebiedbegrensd gebied met een bepaalde ruimtelijke samenhang. 
gebiedseigenspecifiek betrekking hebbend op het gebied. 
gebiedsgericht welstandscriterwelstandscriterium dat betrekking heeft op een specifiek gebied; zowel zelfstandig als in combinatie met andere welstandscriteria te gebruiken. 
gebouwtypegeheel van karakteristieke kenmerken en eigenschappen die gemeenschappelijk zijn aan een groep van gebouwen, waardoor deze zich onderscheiden van andere. 
gebouwtypologieindeling van gebouwen in een groep op basis van één of meer overeenkomstige kenmerken.  
geluidbelaste gevelgevel waarop geluidbelasting staat. 
gemandateerd secretarissecretaris van de Commissie voor Welstand en Monumenten die gemandateerd is om de welstandsadvisering uit te voeren voor bouwvergunningaanvragen waarbij de mening van de CWM als bekend wordt verondersteld 
gepotdekseldhorizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken) om inwatering tegen te gaan. 
geschakelde bouwblokkenbouwblokken die enkele meters verspringen t.o.v. de aangrenzende blokken. 
geschakelde kappenover verschillende woningen doorlopend dak of dakvlak. 
geschakelde woningbouwtegen elkaar geplaatste woningen die oorspronkelijk behoren tot één architectonisch ontwerp. 
gesloten bouwblokgeheel van geschakelde gebouwen dat op enige manier een blok vormt, met een gesloten en besloten binnengebied. 
gesneden windveerwindveer, voorzien van decoratief houtsnijwerk. 
gestapelde woningeen al dan niet uit meerdere bouwlagen bestaande woning, deel uitmakend van een gebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden en naast elkaar zijn gesitueerd, waarbij de voordeur uitkomt op een gezamenlijke inpandige ontsluiting. 
getrapttrapsgewijs, in stappen, telkens iets meer. 
gevelbuitenmuur van een gebouw  
gevelbeëindigingtop van de gevel (vroeger vaak met ornamenten bekroond). 
gevelbeeldhet uiterlijk van de gevel. 
gevelelementonderdeel van de gevel. 
gevelkozijnraamwerk in de gevel, bestaande uit twee stijlen met een boven- en onderdorpel, waarin glas, een deur of raam wordt aangebracht. 
gevellijndenkbeeldige lijn die strak loopt langs de gevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. (dit gaat om de ligging t.o.v. de weg, maar -anders dan bij rooilijn- ook t.o.v. openbaar groen) 
gevelmakelaardecoratieve bekroning van een geveltop. Doel van de makelaar is tweezijdig: verbinding van de windveren en verfraaiing van de gevel. 
gevelopeningopening die in de gevel is uitgespaard om er een kozijn in te plaatsen. 
geveltoptop van een naar boven verjongende gevel. 
gevelvlakhet vlak van de gevel. 
gevelwandwand bestaande uit een aantal panden. 
gootlanggerekte bakvormige constructie, aangebracht onder de dakrand om het van het dak stromende hemelwater af te voeren. 
goothoogteafstand tussen goot en maaiveld. 
gootklosin de muur bevestigd stuk balk ter ondersteuning van een goot. 
gootlijnveelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen. 
Gordel 20-40ruimtelijk systeem dat de grote stedelijke uitbreiding beslaat die is gerealiseerd tussen de beide wereldoorlogen. De wijken liggen als een gordel rond de 19de-eeuwse Ring. Karakteristiek voor Gordel 20-40 is de samenhang tussen de hiërarchische, bloksgewijze stedenbouwkundige structuur, de architectuur van de straatwanden en de aandacht voor het sculpturale detail. 
grachtengroendonkergroene kleur die veel bij monumenten wordt toegepast. 
grenzend aan openbare ruimtedeel van het erf of de zijde van het gebouw dat grenst aan de weg of het openbaar groen. Een gevel aan een tuin is derhalve grenzend aan de openbare ruimte wanneer de tuin grenst aan de weg of het openbaar groen. 
grijs netwerkstelsel van wegen. 
groengras, lagere en hogere planten, bomen en struiken. 
groen-blauw netwerksamenhang tussen water- en groenstructuur in de stad, zoals waterlopen, parken, natuurgebieden. 
groengebiedgebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen en natuurgebieden. 
groenstructuur(ruimtelijke) opbouw en onderlinge samenhang van het groen in een bepaald gebied. 
grondgebonden woningeen uit één of meerdere lagen bestaande woning inclusief kap, met een voordeur die rechtstreeks uitkomt op de buitenruimte. 
grootstedelijk projectdoor de gemeenteraad aangewezen ruimtelijk project dat wordt ontwikkeld en gebouwd onder directe verantwoordelijkheid van de centrale stad. 
grootstedelijke infrastructuurtotaal van onroerende voorzieningen als wegen, bruggen, vliegvelden etc. zoals behorend bij de grote stad. 
Grootstedelijke TransformatiegTransformatiegebied waarbij bouwvergunningaanvraag en -verlening via de centrale stad loopt. 
haakgebouw waarvan de plattegrond een haak vormt. 
hallenhuisboerderijlanggestrekt, driebeukige boerderij met de deel in het midden en de stallen aan weerszijden. 
halschoolschooltype waarbij de hal de ontsluiting vormt voor de klaslokalen. 
hanenkameen taps toelopende rollaag boven een raam- of deuropening waarbij het midden van de streklaag duidelijk verhoogd is. 
herenhuisaanzienlijk woonhuis in een stad. 
hiërarchie in maatvoeringverschillende maar aan elkaar gerelateerde maatvoeringen van gebouwelementen waarmee de onderlinge verhouding tussen de elementen wordt aangegeven. zoals het verschil in maatvoering tussen kozijnhout, raamhout en roedes. 
hijsbalkuit een muur stekende balk waaraan men een hijsblok (katrol) kan ophangen. 
Historische kernen, linten enruimtelijk systeem dat bestaat uit bebouwing die vóór 1900 ontstaan is buiten de toenmalige stad. De bebouwing is opgetrokken langs bestaande structuren in het landschap, zoals een dijk of een polderweg, of bij elementen als een sluis, een kerk of een haventje. Ten zuiden van het IJ worden de meeste gebieden die bij dit ruimtelijk systeem behoren omringd door latere woonwijken; ten noorden van het IJ ligt in Landelijk Noord een aantal dorpen in de oorspronkelijke context van het open landschap. Kenmerkend voor een historisch fragment is dat het bovendien is afgesneden van de oorspronkelijke ruimtelijke context. 
historiserend bouwenbouwen op basis van historische stijlkenmerken. 
hoekaanbouwgrondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.  
hoekaccentverbijzondering op de hoek van een gebouw. 
hoekblokblok op de hoek van een gevel of muur, vaak van natuursteen maar ook in metselwerk of stucwerk 
hoekkepersnijlijn van twee aansluitende dakvlakken (uitwendige hoek). 
hoekpartijverbijzonderd gedeelte van de hoek van een gebouw. 
hoeksteensteen op een hoek van een gebouw om de hoek te verstevigen en tevens als versiering te dienen. 
hofdoor bebouwing (min of meer) omsloten stuk grond beplant met bloemen, kruiden of bomen. 
hoofdgebouween gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.  
hoofdmateriaalbelangrijkste (zichtbare) materiaal van gevel en dak. 
hoogbouween hoog gebouw of een groep hoge gebouwen;  
hoogbouwaccentverbijzondering d.m.v. hoogbouw. 
horizontale opbouwgevelopbouw van beneden naar boven. 
hovenverkavelingverkaveling waarbij verschillende, los van elkaar staande, bebouwing is georganiseerd rond een centrale groene ruimte. 
in ernstige mate (in strijd meeen bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand als er sprake is van een storende buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is (basis voor repressief ingrijpen). 
inbreidinghet bouwen binnen bestaande bebouwing. 
individualiseringhet binnen één architectuureenheid afwijken van het geheel met betrekking tot plaatsing, maatvoering, vormgeving, materiaal-, kleurgebruik of detaillering, zodanig dat de woning méér herkenbaar wordt als individuele eenheid dan eerder het geval was. 
individueel gebouwzelfstandig, op zichzelf staand gebouw. 
industriebebouwingbebouwing met een industriële bestemming.  
ingangspartijhet gedeelte van een gebouw dat de (hoofd)ingang bevat. 
ingrijpende aardin principe vergunningvrije bouwingrepen die in bepaalde gebieden of bij bepaalde architectuurstijlen dusdanig ingrijpend zijn in het straatbeeld dat een welstandelijke toets vereist is. 
installatieset van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.  
investeringsbesluitbesluit van de gemeenteraad of de stadsdeelraad, waarmee de ontwerpfase wordt afgesloten en de uitvoeringsfade wordt ingezet. Bij het Investeringsbesluit worden het Stedenbouwkundig Plan en de Bouwenvelop(pen) vastgesteld.  
Jugendstilstijlrichting in Europa tussen 1895 en 1910, met gestileerde vormen gebaseerd op het dieren- en plantenrijk. 
kaakberghooiberg, m.n. een met twee verdiepingen waarvan de onderste dient als schuur of stal. 
kadernota Welstandnota van de centrale stad die kader geeft voor welstandsbeoordeling. 
Kantoren en bedrijventerreinenruimtelijk systeem dat bestaat uit min of meer monofunctionele werkgebieden. In een monofunctioneel werkgebied zijn alleen productie- en dienstverlenende bedrijven gevestigd. In de loop van de 20ste eeuw is tussen woon- en werkgebieden een steeds scherpere scheiding aangebracht, die momenteel weer wat wordt losgelaten. Het concentreren van bedrijven in industriële gebieden heeft in de jaren negentig van de 20ste eeuw een verwaarlozing van architectonische identiteit tot gevolg gehad. Recentelijk is daarin verandering gekomen. 
kapeen bouwkundige constructie met schuine of ronde vlakken alsmede de afdekking van die constructie, bedoeld om een gebouw aan de bovenzijde af te dekken. 
kapverdiepingverdieping onder de kap. 
kavelgrondstuk, kadastrale eenheid. 
keperdakspar, rib van een spant. 
kernveelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. 
kettingverbandmetselverband met een afwisseling van twee of drie strekken (lange zijde van de baksteen) en een kop in iedere bouwlaag. 
keurtuinde grachtengordel telt 27 zogenaamde keurblokken. Het zijn de ruimten tussen de Heren- en de Keizersgracht - achter de monumentale bebouwing - die slechts als tuinen mogen worden gebruikt. Ze danken hun naam aan de speciale keuren - verordeningen - die er van 1615 af voor golden. 
kilkepersnijlijn van twee aansluitende dakvlakken (inwendige hoek). 
kleurgebruikhet toepassen van bepaalde kleuren. 
klokgevelgevel met een klokvormige beëindiging.  
klosuit de muur stekend houten of gemetseld blokje ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. 
kolommenstructuurwijze waarop kolommen zijn gerangschikt 
koofbordgebogen vlak dat de overgang vormt van een vlakke zoldering of vlak plafond naar de muur. 
kopin het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw of een baksteen. 
korrelgrootteschaal van de parcellering en bebouwing. 
kozijn- of gevelwijzigingveranderen of verplaatsen van een kozijn of kozijninvulling of het zodanig wijzigen van (een deel van) de gevel, dat daardoor het aanzicht verandert. 
kozijninvullingvulling van een kozijn, anders dan glas of bewegend deel. 
krotopruimingslopen van krotten. 
kunststeenelke combinatie of mengsel van materialen die wordt gemaakt om steen na te bootsen. 
laagverdieping in een gebouw. 
laagbouwgebouwen van één of twee lagen. 
lak(glanzende) afwerklaag van schilderwerk. 
landhuisherenhuis op het land, landgoed of buitenplaats. 
landmarkoriëntatiepunt, beeldbepalende plaatsen, gebouwen of objecten in het landschap.  
landschappelijke waardede aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur. 
langskapschuine kap evenwijdig aan de voorgevel. 
lastagewerf. 
lateidraagbalk boven gevelopening. 
lessenaar(s)dakdak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. 
licht-vergunningplichtige bouwbouwwerken waarvoor alleen een lichte bouwvergunning nodig is.  
lichte bouwvergunningbouwvergunning voor veel voorkomende kleine bouwwerken zoals een aanbouw, bijgebouw, dakkapel, erfafscheiding, kozijn- of gevelwijziging of schotelantenne, die via een lichte, snelle procedure kan worden verkregen; meer informatie op http://vrom.nl/bouwvergunningen_online 
lichtkoepelraamconstructie, meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. 
lichtstraatlanggerekte, uit segmenten samengestelde lichtkoepel. 
lijsteen meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. kroonlijst, gootlijst. 
lint(bebouwing)langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterloop. 
loggiainpandig balkon.  
loketcriteriumcriterium toegesneden op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken. 
luchtbrugbrugverbinding tussen gebouwen of delen van gebouwen. 
luifelafdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui. 
maaiveldbovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht; de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.  
maat- en schaalverhoudingverhouding van de afmetingen van de bouwwerken zelf en tot elkaar of het groter geheel. 
maisonnettegalerijwoning van twee bouwlagen, waarbij veelal woon- en slaapverdieping gescheiden zijn; de galerijen zijn doorgaans om de andere laag gesitueerd. 
makelaarde verticale balk die aan de bovenzijde van het verbeterd Hollands spant de verbinding vormt tussen de twee spantbenen. 
mansardedakdakvorm waarbij het onderste deel van het zadeldak of schilddak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat. 
markiesopvouwbaar zonnescherm.  
markisoletteuitvalzonnescherm met eerst verticale val voor de diagonale uitval (met dus geknikte doeklijn). 
massazichtbaar volume van bebouwing.  
materiaalgebruiktoepassing van bepaalde materialen. 
materialiseringde middelen waarmee gebouwen of openbare ruimte wordt vormgegeven. 
meanderverkaveling met straten in rechthoekig gebogen doorlopende lijnen. 
metselbandhorizontale rij(en) bakstenen in bepaalde motief of kleur gemetseld. 
metselverbandhet zichtbare patroon van metselwerk. 
metselwerkbouwconstructie die is opgebouwd uit gevormde of gemodelleerde eenheden van steen, keramische baksteen of tegel, beton, glas of andere grondstoffen; (meestal bedoeld bij bakstenen wanden.) 
middelhoogbouwniet grondgebonden bebouwing van vier of vijf lagen, zoals portiekflats. 
middenstijlverticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.  
middenstukde horizontale opbouw per pand bestaat in het algemeen uit een driedeling. Deze bestaat uit een plint met ingangspartij op de begane grond, een middenstuk met de woonverdiepingen, en een dakbekroning. 
modernismehet geheel van de avant-gardebewegingen die in het begin van de 20ste eeuw ontstonden als reactie op het realisme en estheticisme in de kunst van de 19de eeuw. 
modernistische stijlstijl van het modernisme. 
monolithischvan de aard van een monoliet, uit één enkele steen bestaand, zich aldus voordoend. 
monumentalle vervaardigde bebouwing die van algemeen belang is wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; monumenten worden door het Rijk, de Provincie of de gemeente aangewezen; voor rijksmonumenten geldt minimaal de grens van vijftig jaar. In Nederland is de wettelijke bescherming sedert 1961 geregeld in de Monumentenwet, waarin ook beschermde stads- en dorpsgezichten zijn opgenomen. 
monumentenbeleidbeleid t.a.v. de instandhouding van waardevolle monumenten van geschiedenis en kunst. 
monumentenlijstlijst van gebouwen die bijzondere bescherming genieten uit cultuurhistorisch oogpunt en daarom aangewezen zijn als (gemeentelijke-, provinciale- of rijks) monumenten. 
monumentenvergunningvergunning van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het stadsdeel die nodig is om een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen en om het te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken. (artikel 12 Monumentenwet) 
Monumentenwetde volledige tekst van de Monumentenwet is te vinden op www.wetten.nl  
morfologievormleer. 
MSP-lijstlijst van Monumenten Selectie Project: een selectielijst van rijksmonumentwaardige bouwwerken uit de periode 1850-1940. 
muurankersmeedijzeren staaf om balken en stijlen aan muren te bevestigen en deze tegen uitwijken te vrijwaren. 
muurdamhet smalle gedeelte van een muur tussen twee gevelopeningen (bv. tussen twee hoge vensters of deuren) of tussen gevelopening en de hoek van een gebouw.; penant. 
nederzettingbewoonde plaats. 
neggehet vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn. 
neoclassicismestijlperiode rond het eind van de 18de eeuw, waarin men de klassieken weer navolgde. 
neoclassicistischbehorend tot het neoclassicisme 
neorenaissancestijlbouwstijl opkomend halverwege de 19de eeuw en gebruikmakend van de decoratieve elementen uit de 16de eeuw (renaissance). 
niet grenzend aan de openbaredeel van het erf of de zijde van het gebouw dat niet grenst aan de weg of het openbaar groen. Een gevel aan een tuin is derhalve niet grenzend aan de openbare ruimte wanneer de tuin niet grenst aan de weg of het openbaar groen. 
nieuwe toevoegingaan-, uit-, opbouw of gelijkwaardige aan het bestaande gebouw gekoppelde nieuwbouw. 
nokhoogste lijn of punt van een schuin dak; horizontale snijlijn van twee dakvlakken. 
nutstuin(deel van de) tuin waar men groenten en/of kruiden voor eigen gebruik verbouwt; moestuin. 
objectzelfstandig bouwwerk, pand of ingreep. 
objectcriteriamaatstaf bij beoordeling van een specifiek object. 
objectgerichte welstandscriterwelstandscriteria die betrekking hebben op een specifiek bouwwerk, een specifiek pand of een specifieke ingreep; zowel zelfstandig als in combinatie met andere welstandscriteria te gebruiken. 
onderbouwhet onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen. 
ontlastingsboogboog gemetseld in een muur boven een raam- of deuropening om het erboven liggende metselwerk te dragen.  
ontsluitingde toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.  
oorspronkelijke gevelgevel van een gebouw bij oprichting. 
oorspronkelijke karakteristiekhet karakter van een gebouw bij oplevering, zoals de architect het bedoeld heeft. 
open verkavelingverkaveling waarbij straten nog wel herkenbaar zijn, maar de bouwblokken meer ‘in de ruimte’ geplaatst zijn.  
openbaar groenalles wat daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken, plantsoenen en speelveldjes, die meestal het gehele jaar voor het publiek toegankelijk zijn. agrarisch gebied of water is in dit verband geen openbaar groen. 
openbare ruimteruimte die bestaat uit openbaar toegankelijke straten, wegen, pleinen e.d. en openbaar groen. water (bijvoorbeeld een singel of sloot) behoort niet tot de openbare ruimte. 
opgekaptvoorzien van extra kapverdieping. 
ordegroep van bouwwerken met eenzelfde waardering (opklimmend van Basisorde tot Orde 3). 
orde 1Orde 1 (O1): geregistreerde en beoogde rijks- en gemeentelijke monumenten. Restauratieve aanpak. 
orde 2Orde 2 (O2): monumentwaardige bouwwerken met nadrukkelijke architectonische verbijzondering en bouwwerken met een bijzondere cultuurhistorische betekenis. 
orde 3Orde 3 (O3): karakteristieke bouwwerken met architectonische en/of stedenbouwkundige meerwaarde. 
ordekaartwaarderingskaart; welstandskaart waarbij binnen een ruimtelijk systeem de bebouwing stelselmatig gewaardeerd is volgens een getrapt stelsel: Orde 1 is monument, Orde 2 de categorie daar net onder, Orde 3 daar weer onder en Basisorde. Vergelijkbaar met het ordestelsel worden stedenbouwkundige aspecten uitgedrukt in stedenbouwkundige zones. 
oriëntatiede hoofdrichting (van een gebouw). 
ornamentniet-zelfstandig versieringselement, dienend om een voorwerp of gebouw op te luisteren. 
ornamentiekversieringskunst 
orthogonaalmet loodrecht op elkaar staande ribben, asymptoten, snijlijnen enz. 
Overgangsstijlstijl die een overgang vormt van de ene naar de andere stijl (begin 20ste eeuw). 
overkappingplat of schuin dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen. Kleine overkappingen boven een deur worden in de sneltoetscriteria aangeduid als luifels. 
overkragende daklijstdaklijst die vooruitsteekt ten opzichte van de eronder gelegen gevel. 
overstekbouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel. 
paneelrechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. 
parcelleringindeling in percelen . 
pasteltintenlichte ‘zoetige’ tinten. 
patinazichtbare ouderdomskenmerken waardoor het oppervlak van oude (kunst)voorwerpen zich onderscheidt van dat van nieuwe voorwerpen van hetzelfde materiaal, resp. de nabootsing daarvan. 
penanthet smalle gedeelte van een muur tussen twee gevelopeningen (bv. tussen twee hoge vensters of deuren) of tussen gevelopening en de hoek van een gebouw.; muurdam. 
perceelstuk grond waarvoor één rechtsorde geldt, dat wil zeggen dezelfde eigenaar en hetzelde eigendomsrecht heeft. inz. pand, gebouw. 
perceelafscheidingafscheidingen die dienen om percelen af te scheiden als tuinmuren, schuttingen, schermen.  
perifeer groengebiedgroengebied aan de rand van de bebouwde kom. 
Perifere groen/watergebiedenIn de periode na 1850 is Amsterdam sterk gegroeid. Niet alleen woonwijken zijn aangelegd, maar ook groen- en recreatiegebieden. Vanaf het begin van de 20ste eeuw werd het groen een stedenbouwkundige functie, waar de nodige ruimte voor gereserveerd moest worden. Daarnaast zijn de zogenaamde ‘scheggen’ geïntroduceerd: de relatief landelijke restgebieden die tussen de buitenwijken van Amsterdam liggen. 
pilasterweinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen. 
plaatmateriaalvlak plaatmateriaal van kunststof, metaal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding, of bekleding van gebouwelementen zoals dakrand, deur, dakkapel; hout of kunststof in de vorm van smalle (samengestelde) delen (bijvoorbeeld rabatdelen) valt niet onder plaatmeteriaal. 
Plan Westdoor de Gemeente Amsterdam in 1922 gelanceerd plan, na de annexatie van de vroegere gemeente Sloten in 1921. Het was een vervolg op het Plan Zuid van H.P. Berlage uit 1917, op het geannexeerde grondgebied van Nieuwer-Amstel. Beide plannen waren ontworpen om te voorzien in het grote tekort aan woningen na de Eerste Wereldoorlog. 
Plan ZuidDefinitief plan uit 1917 van H.P. Berlage, op het geannexeerde grondgebied van Nieuwer-Amstel. Het plan was, net als het wat latere Plan West (1922), bedoeld om te voorzien in het grote tekort aan woningen na de Eerste Wereldoorlog. Plan Zuid is conform de ideeën van Berlage gerealiseerd met afwisselende buurtjes en gesloten bouwblokken, die veelal één architectuureenheid vormen. 
plangrensop een of andere wijze aangeduide lijn die het plangebied van de rest scheidt. 
planindienerdegene die een bouwvergunning aanvraagt; meestal de opdrachtgever of de ontwerper van het bouwplan.  
planmatige bebouwinggroep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan. 
plasticiteitsterke ruimtewerking door vooruit- of terugspringende bouwdelen of gebogen vlakken, bijvoorbeeld erkers, balkons, aanbouwen enz. 
plastieksterke ruimtewerking door vooruit- of terugspringende bouwdelen of gebogen vlakken, bijvoorbeeld erkers, balkons, aanbouwen enz. 
pleisterwerkstucmethode; een dunne laag specie van kalk en/of cement en gips met zand die vlak op de muur wordt aangebracht. 
plinteen duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw of een duidelijk te onderscheiden onderste horizontale laag van een gebouw, bijvoorbeeld een plint met bergingen. 
poerrechthoekige of trapeziumvormige ondersteuning van metselwerk of beton, onderdeel van fundering. 
porticodoor zuilen gedragen voorhal. 
portiekingebouwd portaal dat aan de straatzijde geheel open is en leidt naar de deur van een huis of gemeenschappelijk trappenhuis. 
portieketagewoningwoning in een woningcomplex die met de voordeur op eenzelfde portiek (al of niet met buitentrap) uitkomen. 
Post-AUPruimtelijk systeem bestaand uit enkele vanaf 1968 gebouwde gebieden. Deze worden gekenmerkt door een grootschalige stedenbouwkundige structuur in het groen met slechts enkele architectuureenheden, ontsluiting en verbindingen via drooglopen of galerijstraten, en scheiding van verkeerssoorten. Als eerste werd in Amsterdam-Noord het plan Buikslotermeer-Noord of wel het ‘Plan van Gool’ gerealiseerd.  
pothuishalfbovengrondse uitbouw van een kelder, opgenomen in de stoep voor of naast het huis. 
principe-aanvraag‘voorloper’ van een bouwvergunningaanvraag; meer informatie hierover bij het stadsdeel.  
profielomtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan. 
profielbreedte en –dieptebreedte en dikte van profiel van kozijn, raam of lijstwerk. 
profileringzichtbare maatvoering, verhouding en reliëf van bijvoorbeeld een kozijn of kroonlijst. 
puigevelzijde v.d.onderbouw van een gebouw, veelal onderscheiden van de rest door gebruik van een ander materiaal (hout, aluminium etc.) met glas.  
pui-invullingzie vrije pui-invulling 
puibalkzware balk over een pui, die dient om het bovendeel van een gevel te dragen en een onderpui te overspannen. (latei: als het een balk boven een venster betreft.) 
puilijstlijst, ter hoogte van de puibalk in een gevel aangebracht. 
raamgedeelte van het venster waarin het glas is gevat; vaak gebruikt voor het bewegend deel met glas binnen een kozijn. 
raamdorpelhorizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd. 
raamindelingnadere onderverdeling van een vensteropening. 
raamprofielstijl en dorpel waarmee ramen vervaardigd worden. 
radiaalgevormd of geplaatst op de wijze van of in de richting van de stralen van een cirkel; inz. weg die vanuit het centrum (van een stad) naar buiten loopt, meestal gecombineerd met een ringstructuur.  
redelijke eisen van welstandhet uiterlijk en de plaatsing van bouwwerk waarvoor een bouwvergunning wordt verleend, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand; dit geldt zowel voor het bouwwerk op zichzelf, als ook in verband met zijn omgeving en de verwachte veranderingen daarvan. (artikel 12a Woningwet)  
referentiekaderhet geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden. 
regels en stijlenhorizontale en verticale delen van raam- en deurkozijnen. 
reguliere bouwvergunningde bouwvergunning voor alle bouwwerken die niet vergunningvrij zijn en niet voorkomen in de lijst van de lichte bouwvergunning. Meer informatie op http://vrom.nl/bouwvergunningen_online 
reliëfhet in gering mate uitsteken of inspringen (van gevelelementen ten opzichte van het gevelvlak, zoals bij kozijnen, negens, sierranden). 
renovatieaanpassing van een woning aan de tegenwoordige eisen van elementair woongenot. 
rijenwoning / rijtjeshuisgeschakelde eengezinswoning in een rij. 
Ringen en radialenruimtelijk systeem bestaand uit de belangrijkste infrastructuurlijnen (auto, rail) in en rond de stad. De spoorlijnen en snelwegen maken deel uit van een snel veranderende omgeving, waar de verkeersinfrastructuur een actieve rol speelt in de stedelijke ontwikkeling. Als gevolg daarvan is óf in de loop der tijd erlangs bebouwing verschenen óf heeft de bebouwing een letterlijke verhoging doorgemaakt. De bebouwing wijkt hierdoor in maat, schaal en ambitie duidelijk af van de erachter gelegen gebieden. 
risalering / risalietdeel van een voorgevel dat vooruitspringt, minstens een venster breed en over de gehele hoogte doorlopend 
ritmeiedere geaccentueerde, periodieke (maar niet altijd gelijke) wisseling in een beweging, met een bep. regelmaat terugkerende beweging. 
ritmeringregelmatige herhaling. 
ritmiekregelmatige herhaling. 
roedetussenregel van een glasraam 
rollaageen laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. 
rooilijnlijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden. 
ruimtelijk kwaliteitsbeleidalgemene benaming voor alle beleid dat gericht is op het stimuleren en verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van gebieden.  
ruimtelijk systeemeen samenstel van gebieden die op grond van stedenbouwkundige en ruimtelijke kenmerken een vergelijkbare verschijningsvorm hebben. 
ruimtelijke eenheideen aaneengesloten stuk grond of (een deel van) een ruimtelijk element dat uit oogpunt van zijn verschijningsvorm een zelfstandig geheel vormt. 
ruimtelijke kwaliteitoptimaal samenspel tussen de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de esthetische waarde ofwel de schoonheid van een gebied of een gebouw (vrij naar Vitruvius). 
saneringherinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw. 
satellietin de nabijheid van een grote stad gelegen of geprojecteerde plaats die het bevolkingsoverschot daarvan moet opvangen. 
schaalhet begrip van relatieve grootte, vooral van één element tot een ander of van één element tot het geheel; ook, een object of gebied dat in evenredige verhouding staat tot het object of dat gebied. 
schilddakdak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. 
schoonheidscommissievoorloper van de welstandscommissie; opgericht in 1898. 
schuine kaphellende afdekking van een ruimte. 
schuurbijgebouw ten behoeve van opslag. 
sculpturaalvan de aard van een beeldhouwwerk. 
secundair materiaalmateriaal dat gebruikt is op ondergeschikte (opper)vlakken, zoals het materiaal van deuren, kozijnen, daklijsten. 
selectiviteitwaarde als onderscheidingsmiddel of toets. 
serie(bouw)een aantal panden naast elkaar die in dezelfde architectuur zijn uitgevoerd. 
setbackteruggelegen bovenste verdieping soms voorzien van dakterras. 
signaalkleurenfelle in het oogspringende kleuren, ook primaire kleuren worden hieronder gerekend. 
situeringplaats van het bouwwerk in zijn omgeving. 
slagenlandschapeen landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten. 
sneltoetswelstandsbeoordeling van licht-vergunningplichtige bouwwerken waarvoor in de welstandsnota sneltoetscriteria zijn opgenomen.  
sneltoetscriteriaeen set uitputtende welstandscriteria die aangeven wanneer een licht-vergunningplichtig bouwwerk in een bepaalde categorie in ieder geval voldoet aan redelijke eisen van welstand.  
souterrainonderhuis, benedenverdieping die gedeeltelijk lager dan het straatniveau (maaiveld) ligt. 
speklaagdecoratieve band als afwisseling in baksteenmetselwerk. oorspronkelijk van natuursteen, later ook van kunststeen, beton of baksteen. 
spiegeling(over een as) teruggekaatst beeld. 
SPVEStedenbouwkundig Programma van Eisen 
stads- en dorpsvernieuwingmaatregelen openbare ruimte daaromheen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de stads-en dorpsvernieuwing 
stadsbeeldvisuele indruk die de gebouwde en onbebouwde omgeving op ons maakt; het aanzien van het stedelijk gebied en het buitengebied 
stadsbouwmeesterfunctionaris die de bouwplannen van begin tot eind begeleidt en ook bevoegd is om een welstandsadvies af te geven. 
stadsdeelbestuurlijke eenheid die gedecentraliseerde, eigen bevoegdheden heeft; soort subgemeente. De raad heeft een secretariaat en een dagelijks bestuur. 
Stadsdeel TransformatiegebiedTransformatiegebied waarbij bouwvergunningaanvraag en -verlening via het stadsdeel loopt. 
stadsdeelbestuurbestuur voor de belangenbehartiging van het stadsdeel. 
stadshartstadscentrum 
stadsontwerperpersoon die tot taak heeft het stedenbouwkundig ontwerpproces te coördineren en de stedenbouwkundige plandocumenten op te stellen. 
stadsvernieuwingscomplexcomplex van gebouwen, die door vernieuwing of renovatie verpauperde en verkrotte oude gebouwen (gedeeltelijk) vervangen. 
stedelijk gebiedvolledig bebouwd gebied waarvan de bevolkingsomvang een zekere aangenomen drempelwaarde(die van gebied tot gebied kan verschillen)overschrijdt. 
Stedelijke scharnierpuntenruimtelijk systeem bestaand uit locaties waar de randen van gebieden van twee of meer systemen dicht aan elkaar grenzen en mede daardoor de stedenbouwkundige structuur niet eenduidig is te definiëren. In de loop van de geschiedenis van Amsterdam hebben zich steeds nieuwe ruimtelijke systemen ontwikkeld. De daarbij behorende gebieden kregen (en krijgen) op verschillende plaatsen in de stad hun beslag. Soms grenzen de randen van gebieden van twee of meer systemen dicht aan elkaar, zonder elkaar precies te raken. Daar ontstaan stedenbouwkundige tussenruimtes of ‘scharnierpunten’. Strikt genomen wordt de begrenzing gevormd door de randen van de gebieden van de omringende ruimtelijke systemen. 
stedenbouwontwerpdiscipline die functies en activiteiten in de stad zodanig plaatst, dat het geheel meer is dan de som der delen; esthetiek, gebruikswaarde en toekomstwaarde spelen hierbij een rol.  
stedenbouwkundig ensemblestedenbouwkundige eenheid. 
stedenbouwkundig planontwerp voor de bouw of herstructurering van een gebied in een stad of dorp.  
stedenbouwkundige eenheidsamenstel van bouwblokken die als eenheid zijn ontworpen en als zodanig herkenbaar zijn. 
stedenbouwkundige structuurruimtelijke opbouw of samenstelling van een gebied: de manier waarop bebouwing, straten, pleinen, water en andere open ruimte ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. 
stedenbouwkundige zoneindeling in gebieden waarbij gradaties aangebracht zijn in stedenbouwkundige kwaliteit (vergelijkbaar met architectuurordes). 
steilrandhelling tussen twee vlakke terreingedeelten. 
stijlarchitectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. 
stolpboerderijNoord-Hollands boerderijtype met een min of meer vierkante vorm en een piramidevormig dak. 
straatbeeldbeeld dat een straat oplevert. 
straatwandgevel(s) aan één zijde van de straat. 
strekde lange smalle zijde van een baksteen. Ook de lengte van die zijde. 
strengperssteenbaksteen die in een zuiver rechthoekige vorm is geperst; met vier betrekkelijk gladde zijden en twee snijvlakken die meestal wat ruwer zijn. 
strokenlange, smalle stukken, meestal van gelijke breedte. 
strokenbouwstedenbouwkundig verkavelingprincipe, waarbij de bebouwing in parallelle, vrijstaande rijen is geordend. 
strokenverkavelingverkaveling waarbij rechte, langwerpige bouwblokken achter elkaar herhaald worden, de voorzijde van het ene bouwblok ligt hierbij vaak tegenover de achterzijde van het volgende bouwblok maar de bouwblokken kunnen ook rug aan rug liggen. 
strook-, haak- en hoftypetype verkaveling in stroken of haken, soms door bepaalde rangschikking hoven vormend. 
supervisiebegeleiding en toezicht. 
supervisorpersoon die tot taak heeft te bevorderen dat een hoogstaande ontwerpkwaliteit wordt bereikt; het gaat hierbij om de ontwerpkwaliteit van het afzonderlijke bouwproject, een goede afstemming met het ontwerp van de openbare ruimte en de afstemming met andere bouwprojecten binnen één Stedenbouwkundig Plan.  
suskastventilatierooster met omkasting ten behoeve van natuurlijke ventilatie waarin geluid van buiten wordt geabsorbeerd, zodat zowel voldoende ventilatiecapaciteit alsook afdoende geluidwering wordt gerealiseerd. 
symmetriearchitectonisch of stedenbouwkundig ontwerp dat die door een lijn of vlak verdeeld kan worden in twee delen die elkaars spiegelbeeld zijn. 
symmetrieasas ten opzichte waarvan de symmetrie geldt. 
systeembouwbouw volgens een bepaald systeem, bijvoorbeeld betonelementenbouw, stapelbouw, houtskeletbouw; montagebouw. 
tactielbetrekking hebbend op de tastzin. 
taludhelling, glooiing, schuinte van het zijvlak van aardwerken, dijken, spoorbanen, vestingwerken. 
tent-, punt- of piramidedakdak gevormd door vier of meer driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen. 
terrasplat dak van een huis of van een deel ervan dat ingericht is om erop te verblijven; horizontaal stuk grond, soms hoger gelegen dan het omringende terrein, als wandel- of zitplaats aangelegd. 
textuurde waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). 
timpaandriehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.  
topgevelbovenste geveldeel dat naar boven toe verjongd is. Een topgevel staat meestal aan de korte zijde van een gebouw of vormt de hoofdgevel van een risaliet.  
Transformatiegebiedenruimtelijk systeem bestaand uit gebieden waar een ingrijpende, ontwikkeling plaatsvindt. Als gevolg van de groei van Amsterdam worden gebieden verstedelijkt die tot nu toe aan de rand van de stad lagen of bij het buitengebied behoorden. Andere gebieden hadden al wel stedelijke functies, maar ‘verschieten van kleur’ als gevolg van de ruimtedruk: er vindt functiewijziging plaats. Een derde mogelijkheid is ingrijpende herstructurering (met meerdere functies) van bestaande inmiddels extensief gebruikte (bedrijfs)terreinen. Tenslotte kan het gaan om herstructurering, uitbreiding en aanleg van grootschalige infrastructuur. Het ruimtelijk systeem is onder te verdelen in Grootstedelijke Transformatiegebieden en Stadsdeel Transformatiegebieden. 
trappenhuisgedeelte van een gebouw waarin de (hoofd)trappen zijn aangebracht. 
traveebegrip bij de vlakverdeling van gevels. De afstand tussen twee opeenvolgende steunpuntassen in de lengterichting van een gebouw of bouwonderdeel vaak de breedte van een deur of venster. 
trendsettereen in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen drie jaar) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar van het bouwwerk (bij gelijkvormige kapvorm of woningtype). 
Tuindorpenruimtelijk systeem dat bestaat uit arbeiderswoningbouw met een min of meer dorpse stedenbouwkundige structuur en relatief veel groen. De stadsuitbreiding tussen ca 1909 en ca 1930 voltrok zich voor een aanzienlijk deel in de vorm van tuindorpen. Elk tuindorp vormt één afgerond geheel dat een duidelijk ontwerpstempel draagt. 
uitbouwbouwwerk dat in directe verbinding staat met het (hoofd)gebouw waaraan het wordt gebouwd. Een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een gebouw, terwijl een uitbouw een vergroting van de bestaande ruimte is. Deze bouwwerken breiden het bestaande (hoofd)- gebouw uit ter vergroting van het woongenot. Hiermee wordt bedoeld dat het gebruik direct gerelateerd dient te zijn aan de woonfunctie. 
uitbreidingsplanontwerp tot vergroting van de bebouwde kom van een gemeente. 
uitkragend bouwdeelvooruitstekend bouwdeel. 
uitkragende daklijstuitstkende lijst van een dak. 
uitwendige scheidingsconstructconstructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water. 
vakwerkconstructie waarbij de wanden van een gebouw worden samengesteld uit een geraamte van houten stijlen, regels en schoren die vakken vormen, die worden opgevuld met bijvoorbeeld metselwerk. 
Van Eesterenmuseumdeel van het AUP-gebied (naar stedenbouwkundig plan van Van Eesteren) in Slotermeer Noordoost dat gerestaureerd en behouden wordt en daarmee een soort openluchtmuseum wordt, omdat dit gebied is bestempeld als gemeentelijk beschermd stadsgezicht vanwege de architectuur en de stedenbouwkundige opzet. 
veenontginninghet ontwateren en verkavelen van veengronden om ze geschikt te maken voor agrarisch gebruik. 
venstereen (licht)opening in de muur van een gebouw. 
vensterasdenkbeeldige lijn door het midden van de vensters. wanneer een gevel minstens twee bouwlagen heeft en de vensters van de begane grond en de verdieping(en) liggen recht boven elkaar, dan noemt men het aantal vensterassen. 
vensterindelingonderverdeling van vensteropening in kleinere vlakken door middel van stijlen en regels. 
vensterpartijsamenstel van ramen in een gevel. 
ventilatieroosterrooster met omkasting ten behoeve van natuurlijke ventilatie, zodat voldoende ventilatiecapaciteit wordt gerealiseerd. 
ventilatievoorzieninghet geheel van ventilatiesystemen in een gebouw. 
verblendsteenholle, zeer gladde strengperssteen met scherpe randen en vaak vierkante perforaties, vervaardigd van de vettere kleisoorten. 
verblijfstuintuin op een volkstuincomplex waar (in het seizoen) overnacht kan worden in een huisje; volkstuin. 
verbouwingbouwkundige wijziging aan een bestaand gebouw. Dit kan een uitbreiding zijn, maar ook een gewijzigde indeling.  
verdiepingbouwlaag 
verjongennaar het uiteinde toe afnemen in omvang of zwaarte. 
verkavelingde manier waarop een gebied in stukken, kavels geheten, is verdeeld. 
verkavelingseenheidbestaat meestal uit verschillende architectuureenheden. De bebouwing in een verkavelingseenheid vormt een compositie van gebouwen (van gelijke en/of verschillende typologie) en een bouwsteen voor een (bebouwings)veld. 
verkavelingspatroonwijze waarop gebied ingedeeld volgens een bepaald patroon. 
verkeerstangentweg die niet door het centrum loopt, maar erlangs. 
verspringendten opzichte van elkaar niet in een gelijk vlak of niet in één lijn liggend. 
Verstedelijkte havengebiedenruimtelijk systeem bestaande uit recent tot woongebieden getransformeeerde vroegere havengebieden. Voorheen was Amsterdam een bloeiende haven- en handelsstad waarin wonen en werken geïntegreerd waren. Later kwamen grotere monofunctionele haventerreinen. Deze havenactiviteiten hebben zich eind jaren negentig van de 20ste eeuw naar het westen van Amsterdam verplaatst waardoor veel waterkanten hun oorspronkelijke functie verloren. Net als in andere havensteden, is in Amsterdam het idee opgepakt dat op oude haventerreinen kan worden gewoond. Kenmerkend aan dit jonge ruimtelijk systeem is het handhaven van de havenbekkens en de schiereilanden, de waterruimte en de aanwezige stenen kades.  
verticaliteitin verhouding veel hoger dan breed; het laten domineren der verticale lijnen in het uiterlijk. 
vertreding(luie?) trappartij. 
villavrijstaand, aanzienlijk woonhuis (vooral landelijk gelegen of in een parkachtige stadswijk). 
villawijkwoonwijk met overwegend villa's en aaneengesloten herenhuizen, veel openbaar en particulier groen en een stratennet met bijzondere patroon- en vormenkenmerken. 
visuele eenheidzichtbaar samenhangend geheel. 
vliesgevelniet dragende gevel van lichte bouwmaterialen toegepast in combinatie met (beton- of staal)skeletbouw. 
vluchtvooroverhellen van een muur; vroeger werden gevels op ‘vlucht’ gesteld, mede om inwatering van het metselwerk te voorkomen. 
voegwerkwat gevoegd is of moet worden; al de voegen van een muur. 
volantstrook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies 
volkernplaatplaat van enkele lagen samengeperst met fenolhars geimpregneerd krachtpapier, aan weerszijden afgewerkt met gekleurd HPL (hogedruk laminaat). 
voorerfgedeelte van het erf tussen de voorgevellijn en de aan de voorkant van die lijn gelegen perceelsgrens. 
voorgevelgevel aan de voorzijde van een gebouw. 
voorgevellijndenkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. (dit gaat om de ligging t.o.v. de weg, maar -anders dan bij voorgevelrooilijn- ook t.o.v. openbaar groen) 
voorgevelrooilijnvoorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.  
voorkantvoorgevel, voorerf en dakvlak aan de voorzijde van een gebouw, en zijgevel, zijerf en dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. (AMvB) 
voorzetraamlos raam dat voor bestaand raam kan worden geplaatst, meestal bedoeld voor warmte-of geluidisolatiedoeleinden. 
voorzieningenstrookstrook gebouwen met instellingen, diensten die in bepaalde behoeften voorzien. 
vrije pui-invullinggevel als niet dragende invulling binnen een draagconstructie. omdat de gevel geen dragende functie heeft is er een grote mate van vrijheid bij de indeling, grote glasvlakken zijn kenmerkend voor vrije pui-invullingen. 
waarderingskaartwelstandskaart waarbij binnen een ruimtelijk systeem de bebouwing stelselmatig gewaardeerd is volgens een getrapt stelsel: Orde 1 is monument, Orde 2 de categorie daar net onder, Orde 3 daar weer onder en Basisorde. Vergelijkbaar met het ordestelsel worden stedenbouwkundige aspecten uitgedrukt in stedenbouwkundige zones. 
waterfrontaanblik die een stad vanaf het water biedt, i.h.b. min of meer aaneengesloten op het water (kanaal, rivier, meer) georiënteerde bebouwing. 
waterstructuurwijze waarop waterlopen gesitueerd zijn. 
wegalle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten (Wegenverkeerswet). 
welstandsadviesadvies van de welstandscommissie of stadsbouwmeester aan burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het stadsdeel over de vraag of een aanvraag voor een bouwvergunning voldoet aan redelijke eisen van welstand. 
welstandsbeleidgemeentelijke beleid waarin duidelijk wordt gemaakt waar het beeld van de bebouwing aan moet voldoen. Zie welstandsnota. 
welstandsbeoordelingbeoordeling door burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het stadsdeel van de vraag of een aanvraag voor een bouwvergunning voldoet aan redelijke eisen van welstand. 
welstandscommissiedoor de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning. 
welstandscoördinatorambtenaar van een stadsdeel die tot taak heeft het contact tussen planindieners, het stadsdeel en de welstandscommissie te coördineren. 
welstandscriteriumuitspraak die één aspect van het uiterlijk een bouwwerk normeert en opgenomen is in een door de gemeenteraad of stadsdeelraad vastgestelde welstandsnota. 
welstandskaderstelsel van regelgeving waaraan bouwplannen getoetst moeten worden. 
welstandsnotabeleidsnota die door de gemeenteraad of de stadsdeelraad is vastgesteld en die alle criteria voor de welstandsbeoordeling bevat. 
welstandstoetsingzie welstandsbeoordeling. 
welstandstoezichtalle aspecten, regels en werkwijzen rondom het wettelijke voorschrift dat elk bouwplan moet voldoen aan redelijke eisen van welstand tenzij het welstandsvrij is. 
welstandsvrijgebieden of objecten die door de gemeenteraad of de stadsdeelraad (in de welstandsnota) als welstandsvrij zijn aangewezen, waardoor bij de bouwvergunningaanvraag (preventief) geen welstandsbeoordeling plaatsvindt en ook achteraf (repressief) geen welstandstoezicht kan worden uitgeoefend; en objecten die wettelijk (AmvB) vergunningvrij zijn (en daarmee welstandsvrij).  
werfplaats waar schepen of andere drijvende objecten worden gebouwd of worden gerepareerd; plaats waar hout of andere artikelen opgestapeld liggen. 
werfterreinterrein met verscheidene werven. 
wijkontsluitingswegdoorgaande weg die de wijken onderling verbindt en waaraan de buurtstraten aantakken. 
windveerplank aan weerskanten van een rieten- of pannendak ter afdekking van de rand van het riet of de pannen om afwaaien van de pannen te voorkomen. 
wisseldorpel(van oorsprong bij schuiframen) onderregel van het bovenraam en bovenregel van het onderraam. 
wolfsdakmeestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfseind).  
wolfseindschuin eindvlak van een wolfsdak. 
woningeen complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.  
Woningwetde volledige tekst van de Woningwet is te vinden op www.wetten.nl  
woonblokgroep (aaneengesloten) huizen die door straten min of meer rechthoekig wordt ingesloten. 
woonerfwoonwijk of -buurt die autoluw of -vrij is en waar doorgaand verkeer niet mogelijk is. 
Woonerven en meanders (woningbruimtelijk systeem bestaand uit woonwijken die aan de randen van de huidige stad liggen (in het noorden van het stadsdeel Amsterdam-Noord en vooral in Amsterdam-Zuidoost), tot stand gekomen vanaf begin jaren zeventig tot aan begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Tegelijkertijd werden binnen de bestaande stad grotere complexen van vervangende nieuwbouw gerealiseerd, met een overeenkomstige karakteristiek. De stedenbouwkundige structuur wordt bepaald door wijkontsluitingswegen voor het doorgaand verkeer en een vertakte plattegrond in de wijk zelf. De niet-doorlopende straten eindigen vaak in woonerven. De bouwblokken hebben geen duidelijke voor- of achterkant. 
Woongebieden van na 1985ruimtelijk systeem bestaand uit woonwijken in een ‘klassiek’ stratenpatroon of een variant daarop, gerealiseerd na 1985. Dit ruimtelijk systeem vormt een reactie op de onoverzichtelijkheid, kleinschaligheid en versnippering van de woonerven en meanders uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Kenmerkend zijn de duidelijke oriëntatiepunten en het heldere onderscheid tussen privé en openbaar. De grotere wijken worden hiërarchisch opgebouwd met primaire en secundaire assen, samen met een straten- en blokverkaveling. Er is (weer) een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkant.  
woonlaagverdieping van een gebouw. 
woonwijkstadsgedeelte dat in de eerste plaats tot bewoning dient. 
zadeldakdak met twee tegenoverliggende symmetrische dakvlakken die bij de nok samenkomen. 
zichtlijndenkbeeldige lijn die getrokken kan worden tussen wat de beschouwer wel en niet te zien krijgt. 
zichtlocatievestigingsplaats pal langs een openbare weg. 
zijerfgedeelte van het erf tussen een zijgevellijn en de aan die zijde van het gebouw gelegen erfgrens. 
zijerfgrenszie erfgrens 
zijgevelgevel aan de zijkant van een gebouw. 
zijgevellijndenkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. 
zijpenantzie penant. 
zijwandafsluitende wand van een aan- of uitbouw. 
   
 
   
  © Gemeente Amsterdam
   
  [+] Disclaimer & copyright